Main content

Professor Vanheule schrijft over de boeken van Brenda Froyen en Laura De Houwer. Stijn Vanheule is psychoanalyticus en professor klinische psychologie aan de Universiteit Gent. Deze boekbespreking wordt ook gepubliceerd in het tijdschrift ‘Psyche’.

Op amper zes maanden tijd kwamen twee boeken uit die niets minder zijn dan een klap in het gezicht van iedereen die dacht dat Vlaanderen excelleert met haar hoogstaande psychiatrische hulpverlening. De ambitie om goede kwaliteit te realiseren staat beslist hoog op de beleidsagenda. Organisaties zwaaien met zorgvisies en houden kwaliteitsindicatoren bij. Overheden op hun beurt maken zich sterk dat ze enkel geld geven aan wie degelijke zorg biedt. Goede bedoelingen vinden we overal. Deze omzetten in een betrokken dienstverlening is een ander paar mouwen.

De twee boeken waar ik naar verwijs, zijn Ben ik dan nu weer normaal?, waar Brenda Froyen eind 2020 mee naar buiten kwam, en Ik moest braaf zijn van Laura De Houwer. Dat laatste boek heeft als ondertitel ‘Veertig dagen opname in de psychiatrie’ en werd in maart 2021 gepubliceerd.

Het werk van Brenda Froyen kennen we al langer.

In 2014 trad ze op de voorgrond met haar boek Kortsluiting in mijn hoofd. Daarin brengt ze het verslag van haar kraambedpsychose uit 2012, en van de moeizame zoektocht naar een nieuw evenwicht. Episodes van gedwongen hulpverlening wisselen er zich af met een pijnlijk eenzame strijd om ondersteuning te krijgen op maat van wat ze wil en nodig heeft. Nadien volgden het boek Uitgedokterd, waarin ze voorbij haar eigen verhaal met lotgenoten en professionals in dialoog gaat, de novelle Lena waarin ze even in de rol van een verpleegkundige stapt, en Psst, een kinderboek over psychische problemen.

Stuk voor stuk werken die wanpraktijken aan de kaak stellen en een lans breken voor een open dialoogcultuur.

Ze pleit voor hulpverleners die toegewijd luisteren, die helpen zoeken naar houvast in onzekere tijden, en die bovenal rustig en begrijpend nabij blijven, zolang iemand daar nood aan heeft. Tussen het schrijven van die boeken door engageerde Brenda Froyen zich in het publieke debat. Ze gaf onder meer lezingen, toerde met Stefaan Baeten met een theaterstuk over haar eerste boek, schreef opiniestukken, zette Psychosenet België op poten, organiseerde mee een academische opleiding herstelgerichte GGZ, en participeerde in een werkgroep over psychiatrische diagnostiek binnen de Hoge Gezondheidsraad.

Tot er medio 2019 een veer knapt

Tot er medio 2019 een veer knapt naar aanleiding van een debat met artsen over het adviesrapport inzake psychiatrische diagnostiek van de Hoge Gezondheidsraad. In Ben ik dan nu weer normaal? schrijft ze daarover het volgende: “Het debat confronteerde me met een kant van de geestelijke gezondheidszorg waarvan ik wist dat die bestond. Ik had het allemaal meegemaakt in 2012: de zelfingenomenheid, de weinig kritische instelling, niet de belangen van de patiënt maar wel die van de hulpverlener die vooropstonden”.

Ik zat naast Brenda aan tafel tijdens dat debat in 2019. Hooggeschoolde collega’s mikten niet op de bal, maar schopten wild om zich heen en stelden vragen bij de legitimiteit van wat onder meer Brenda Froyen inbracht. Wellicht voelden ze zich bedreigd door wat het rapport inhoudelijk aangeeft over het voorzichtiger gebruik van psychiatrische nomenclatuur, en over het werken met het verhaal van wie hulp zoekt. Ze hadden nochtans alle kansen gekregen om mee te werken aan de adviesnota. In haar boek geeft Brenda Froyen weer dat deze ontgoochelende confrontatie haar de zin ontnam om nog verder op de barricades te staan voor goede psychiatrische zorg.

Een sluipend probleem die onze GGZ sinds haar begindagen kenmerkt: macht.

Vrij brutaal botste ze meermaals op een sluipend probleem die onze GGZ sinds haar begindagen kenmerkt: macht. Michel Foucault beschreef dat probleem als geen ander. Machtsdynamieken waren reeds aanwezig bij de oprichting van de eerste psychiatrische voorzieningen. Patiënten moesten zich onderdanig opstellen ten aanzien van beter wetende professionals en gedwee de vele leefregels uit de voorziening volgen. Wie weigerde, werd nog zieker verklaard of buitengezet. Emancipatie-initiatieven die hiërarchische gehoorzaamheid in vraag stelden, en zorgden voor inspraak en vermaatschappelijking, temperden die machtsuitoefening. Toch blijft machtsgebruik als een schaduw rondwaren binnen onze GGZ-voorzieningen.

Brenda Froyen ontmoette die donkere zijde eerst bij haar opname in 2012 en vervolgens nog een aantal keer opnieuw, toen ze het vanuit een veel ruimere betrokkenheid opnam voor wie hulp nodig heeft. Die macht maakt van (ex-)patiënten B-burgers; een aparte categorie mensen waar een professional zich mag boven plaatsen.

Zoiets maakt iemand monddood en herleidt hem tot rondwandelende stoornis.

Ben ik dan nu weer normaal? is beslist een ironische titel, waaronder een boek schuilt waar zowat iedereen inspiratie kan uit putten én aanstoot kan aan nemen. Alles hang af van hoe je het leest. Of het nu gaat over hoe je medicatiegebruik kan afbouwen, hoe je herstel kan definiëren, wat het probleem is met isoleercellen, waarom er vraagtekens te plaatsen zijn bij euthanasie omwille van psychische lijden, of waarom het inzetten van ervaringsdeskundigen slechte therapeuten uit de wind zet: Brenda Froyen zegt ongezouten wat ze denkt. En toch is het boek geen klaagzang. Daarvoor zitten er te veel suggesties in die ons alert maken voor hoe het wél kan.

Een humane psychiatrie is mogelijk.

Een humane psychiatrie is mogelijk, op voorwaarde dat stigmatisering wordt doorbroken en we mensen met problemen warm onthalen en aandachtig beluisteren. Net zoals in haar eerst boek is Brenda Froyen ook deze keer heel open over eigen ervaringen. De kraambedpsychose is intussen reeds een tijd geweken en nu heeft ze het bijvoorbeeld over hoe ze omgaat met innerlijke onrust, terugblikt op vroegere waandenkbeelden of afstemt met haar man en kinderen. Meerdere keren moest ik tijdens mijn lectuur trouwens hardop lachen. Dat psychosegevoeligheid gebruikt kan worden als ‘vanavond niet schat’-excuus wist ik tot voor kort nog niet.

‘Ik moest braaf zijn’

Toen ik vervolgens Ik moest braaf zijn las, verdween die lach snel van mijn gezicht. Laura De Houwer schrijft in dat boek over wat haar overkwam toen ze naar aanleiding van een suïcidepoging in het voorjaar van 2020 veertig dagen lang gedwongen werd opgenomen in de psychiatrie. Als lezer neemt ze je mee in het traumatiserende proces dat zich toen voltrok. In dagboekstijl vertelt ze wat er allemaal gebeurde en hoe ze diep werd geraakt door de harde anonieme aanpak in het ziekenhuis.

Alles begon met een wanhoopsdaad. Compleet radeloos probeerde Laura de Houwer een eind te maken aan haar leven. Haar man kon dat op het nippertje verhinderen en riep hulp in. Deze kwam er onder de vorm van politie en ambulances. Laura De Houwer was toen heel erg van streek. Direct de switch maken om met hen mee te gaan naar het ziekenhuis, lukte niet. De hulpdiensten besloten dan maar om haar gedwongen mee te nemen. Met knellende handboeien en vastgebonden op een brancard werd ze afgevoerd.

Toen ik dat las, werd ik meteen overvallen door ontgoocheling.

Hoe kan dat toch? In de literatuur zijn duidelijke richtlijnen te vinden over hoe hulpdiensten best omgaan met iemand in een acute crisis (zie bijvoorbeeld: Langlands et al., 2008). Op zo momenten moet je rustig communiceren, je empathisch steunend opstellen, en geduldig zoeken naar een hoopvol perspectief. De-escaleren heet dat. Bij Laura De Houwer gebeurde dat allemaal niet. Er werd nauwelijks tijd gemaakt om mét haar te spreken.

Op dat punt zit er beslist een systeemfout in onze hulpverlening. Politie en andere hulpdiensten moeten dringend gevormd en begeleid worden om correct in te spelen op personen met een psychiatrische crisis. Een goede eerste opvang schept een vertrouwensband, wat meteen de juiste toon zet om problemen te overwinnen.

Momenteel hangt alles teveel af van de bereidwilligheid van een individuele agent of hulpverlener.

Helaas vormde de opname op de crisisafdeling in de psychiatrie geen kantelpunt. Ook daar wachtten geen professionals die de tijd namen om haar rustig te onthalen. Niemand stond klaar om haar wanhoop, angst en kwaadheid op te vangen. Niemand klopte vervolgens aan om te zoeken naar woorden die perspectief bieden. Laat staan dat haar echtgenoot een plek kreeg om haar te helpen, of ook zelf op adem te komen. Het zette de toon voor het hele verblijf. Met uitzondering van die paar verpleegkundigen die wel écht probeerden om nabij te zijn, was er vooral veel eenzaamheid.

Over dag 4 van de opname schrijft ze: “De rest van de avond zie ik weer niemand. Niemand van de verpleging vraagt hoe het met me gaat, niemand die eens komt kijken of vragen hoe ik me voel. Er is geen ondersteuning, begeleiding, niks. Terwijl ze allemaal gezien hebben en weten dat ik overstuur ben. Dat ik diep teleurgesteld en verdrietig ben dat ik hier zes weken zal moeten blijven.”

Op dag 33 klinkt het als volgt: “Wat zou ik graag willen dat de psychiatrie een fijne, warme plek was, waar mensen terecht zouden kunnen voor steun, voor een gesprek, voor hulp. Wat zou ik graag willen geloven in die utopie, ondanks alles.”

Ik moest braaf zijn is pijnlijk om lezen.

Nu begrijp ik waarom Brenda Froyen op de achterflap het volgende schrijft: “Dit boek is gruwelijk herkenbaar. Het had nooit geschreven mogen zijn. Maar nu het er is, moet iederéén het lezen”.De afstandelijkheid, betutteling en eindeloze reeks aansporingen om toch maar braaf in de pas te lopen, zijn simpelweg vernederend. Het onderwerpt een patiënt aan machtsdynamieken die voor geen meter helpen om je leven op orde te krijgen. Ook hier zit een systeemfout. Crisisonthaal zou warm en geruststellend moeten zijn. Al te veel is dat nog niet het geval. De bestaande organisatie ervan moet daarom herbekeken worden. Zoals psychiater Ludi Van Bouwel (2020) aangeeft, kan de aanpak binnen Soteria-huizen daarbij zeker inspiratie bieden. Ook moet er een wettelijk kader komen die de rechten van de patiënt beter beschermt, dwangbehandeling inperkt en sommige praktijken simpelweg verbiedt.

Bij aankomst in de psychiatrie wordt Laura De Houwer meteen in een isoleercel geplaatst. Halfnaakt en vastgebonden ligt ze daar, met een camera als enige teken van menselijke aanwezigheid. Gedurende haar opname zal ze meermaals in afzondering belanden, waar zich beschamende taferelen voltrekken. Een keer blijft ze 26 uur aan een stuk vastgebonden. Een andere keer moet ze plassen in een waterflesje of urine wegvegen met het enige laken dat ze ter beschikking hebt. Zoiets zou toch niet mogen kunnen?

En ja, wat ik nog bijna vergat te vermelden. Ook Ik moest braaf zijn is een prima geschreven boek. Ik hoop van harte dat Laura De Houwer blijft schrijven. Ze kan het. Meer nog: ze heeft iets te vertellen.

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *