Main content

Evelyne van Aubel is onderzoeker aan het Centrum voor Contextuele Psychiatrie. In deze blog legt ze uit hoe de Experience Sampling Methode ook werkelijk een verschil kan maken in de klinische praktijk, voor patiënt en hulpverlener.

Toen ik gevraagd werd om een blog te schrijven voor Psychosenet over mijn bezoek aan een congres over de Experience Sampling Methode, moest ik toch wel even diep nadenken. Hoe kan ik mijn bezoek aan dit wetenschappelijk congres relevant maken voor het doelpubliek van Psychosenet?

Even uitzoomen

Na lang nadenken, op de fiets, onder de douche, later in de zetel met een peinzend gezicht waardoor mijn vriend zich stilaan zorgen begon te maken, viel mijn euro eindelijk. Ik moet gewoon een stapje terugnemen. Uitzoomen. Waarom ben ik eigenlijk in de eerste plaats naar dat congres gegaan? Nog eens uitzoomen. Kan het onderzoek dat er op dat congres wordt voorgesteld bijdragen tot een betere geestelijke gezondheidszorg? Misschien nog een laatste keer bijstellen. Hoe zou de geestelijke gezondheidszorg eruitzien voor iemand die een psychose doormaakt of heeft doorgemaakt, zijn vrienden en familie wanneer het onderzoek dat voorgesteld werd op SAA in de klinische realiteit wordt geïmplementeerd?

Onderliggende mechanismen begrijpen

Om te beginnen denk ik dat we steeds beter zullen begrijpen welke mechanismen (biologisch, psychologisch, sociaal, etc.) er spelen in het ontstaan en in stand houden van mentale gezondheidsklachten. Door mensen meerdere keren per dag te bevragen hoe zij zich voelden aan de hand van een smartphonevragenlijst en tegelijkertijd hun psychofysiologische parameters zoals hun hartslag te registeren met een wearable, vonden onderzoekers bijvoorbeeld dat mensen die een eerste psychose doormaken erg gevoelig zijn voor kleine dagdagelijkse stressoren, hier met meer negatieve gevoelens en achterdocht op te reageren, en dat deze gevoelens ook wat langer kunnen aanhouden.

Van smartphonevragenlijst naar behandelplan

Doordat we dus een beter begrip hebben van onderliggende mechanismen zoals bijvoorbeeld een hogere gevoeligheid aan stress, zullen we ook in staat zijn om de diagnostiek en begeleiding van cliënten veel persoonlijker te maken. Inderdaad, waar in een eerste fase de vele informatie die we kregen uit deze smartphonevragenlijsten en wearables voornamelijk gebruikt werd voor onderzoeksdoeleinden, zijn er nu heel wat initiatieven ontstaan om de handen in elkaar te slaan met behandelaren om deze data ook te gebruiken in het hersteltraject van cliënten. Een voorbeeld hiervan is het Building Bridges project, waarin onderzoekers aan de KU Leuven een platform ontwikkelen waarop het bijvoorbeeld mogelijk zal zijn om op een eenvoudige manier te visualiseren hoe vaak iemand last heeft van achterdocht, in welke context dit voorkomt, en hoe dit samenhangt met bepaald gedrag. Deze informatie kan dan weer gelinkt worden aan een gedragsinterventie – of medicatieschema, dat dan wekelijks op punt kan worden gesteld op basis van de informatie die we krijgen uit het dagelijks monitoren van symptomen. Op die manier kan een persoon met psychose een experten-rol worden toebedeeld in zijn eigen hersteltraject.

De virtuele therapeut

Nog een stap verder dan diagnostiek en behandeling te baseren op gedetailleerde informatie die we uit het dagelijkse leven krijgen, zal er ook meer en meer de mogelijkheid komen om mensen te behandelen in hun natuurlijke context, waardoor zij beter kunnen leren toepassen wat zij in hun therapiesessies met de therapeut al oefenden. Binnen mijn eigen doctoraat werk ik zo mee aan het INTERACT-project. In dit project kijken wij of het aanbieden van individuele Acceptance and Commitment Therapy sessies – een derde generatie gedragstherapie – aangevuld met een smartphone applicatie (een soort van virtuele therapeut) waarmee deelnemers met (vroeg)psychose ook buiten deze sessies aan de slag kunnen gaan om vaardigheden in hun dagelijkse leven toe te passen. Wij geloven dat deze mengvorm van klassieke therapiesessies met mobile health (mhealth) ervoor kan zorgen dat mensen hun eigen behandeling mee in eigen handen kunnen nemen, doordat zij niet meer enkel en alleen afhankelijk zijn van de wekelijkse sessies met hun therapeut.

Pleidooi voor authentiek contact

Hoewel de wetenschappelijke technologische vooruitgang heel wat mogelijkheden biedt om bij te dragen tot een persoonlijkere en cliënt-gedreven geestelijke gezondheidszorg, moeten we toch ook kritisch blijven over het onderzoek dat we uitvoeren. Wat mij betreft hoort de psychiatrische wetenschap een weerspiegeling te zijn van een maatschappelijk klimaat waarin hoop, verbondenheid, en herstel centraal staan. Ik denk dat deze nieuwe tools te allen tijde een hulpmiddel moeten blijven voor cliënt en behandelaar en in geen geval diagnostiek en behandeling kunnen en mogen overnemen. Technologische vooruitgang heeft naar mijn mening zijn limieten; als je mij vraagt of ik bijvoorbeeld geloof in een artificiële therapeut die het kan overnemen van de echte, zeg ik resoluut nee. Voor mij bestaat behandeling ook uit het samen zoeken naar, het samen stil kunnen zijn, het samen niet begrijpen. Ik denk niet dat een robot ooit die menselijke complexiteit zal kunnen vatten. In die zin wil ik dan ook blijven pleiten voor authentiek, menselijk contact tussen cliënt, zijn bredere netwerk en zijn zorgverleners als fundament in de geestelijke gezondheidszorg.

 

Het team van het Centrum voor Contextuele Psychiatrie onder leiding van Professor Inez Germeys verzorgt een tweewekelijkse blog over nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap op het gebied van psychiatrie in het algemeen en psychose in het bijzonder. (www.ccp-leuven.be;  Center for Contextual Psychiatry; twitter: @ccp-leuven; @inezgermeys; @reskarlijn)

 

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.