Main content

Louise ter Berg (pseudoniem) leefde lange tijd vooral in haar hoofd, tot er langzaam ruimte kwam om te voelen zonder overspoeld te raken. In deze blog schrijft ze over het aspect ’taal’ binnen de GGZ.

Dit gaat over hoe ik overeind blijf met mijn eigen innerlijke systeem, in een wereld die mijn taal niet altijd verstaat. Sinds de psychose van vorig jaar augustus voel ik me nog steeds kwetsbaar. Nu mijn partner in de medische molen terechtkomt, merk ik dat ik bang ben of ik het allemaal kan dragen: aan zijn zijde staan, de aanloop en de stress opvangen. Ik weet niet of dat lukt. Ik ben niet goed in social talk en mensen willen vaak geen moeilijke dingen horen. “Red je het wel?” leidt bij mij al snel tot “alles onder controle”, terwijl dat misschien niet zo is.

Mijn ervaring is dat de psychiatrie signalen mist. Ze kunnen je oplappen als het misgaat, maar begeleiding vóór of tijdens een crisis voelt niet vanzelfsprekend. In augustus vorig jaar ook niet. En ja, het komt goed: de wanen verdwijnen. Maar dat maakt de weg naar herstel niet minder ingewikkeld. Zeker omdat mijn hulpvraag meestal pas komt als het misgaat — uit gewoonte, of uit een cultuur waarin je dingen vooral zelf oplost. En omdat bemoeizorg me eerder afremt dan helpt.

Taal als voorwaarde voor contact

Wat het ingewikkeld maakt, is dat ik in een psychose uit de normale staat ben — de staat waarin gewone communicatie mogelijk is. Daarna moet je terug, of beter gezegd: weer aansluiten. Dat lukt alleen als er een taal is die beide kanten kunnen verstaan, in de dagelijkse context. Daar onttrekt de GGZ zich een beetje aan. Een verkeerd woord kan al genoeg zijn om hen iets te laten doen. Daarom laat ik ingewikkelde dingen vaak achterwege; het laatste punt op mijn briefje blijft vaak onbesproken.

De juiste taal ontbreekt vaak. En zonder taal geen behandeling. Waar blijft je zeggenschap als iemand ineens je partner aanspreekt omdat jij “niet verstaanbaar” zou zijn? En van wie is dat onvermogen eigenlijk? Zodra je je uit in GGZ‑taal gaat er een arsenaal open — dan kunnen ze eindelijk iets doen. Soms voelt het alsof alle ‘echte’ informatie uit psycho‑educatie welkom is, en dat hoe mooier de verhalen, hoe meer expertise. De GGZ is in principe een lerende organisatie.

Wat er in teambesprekingen wordt gezegd weet ik niet; het staat niet in het dossier. Gesprekken met de psychiater ook niet, alleen medicatie. Dat vind ik vreemd, al kan ik privacy op zichzelf waarderen. Ik heb met elke hulpverlener een eigen relatie. Wat ik de een vertel, hoeft de ander niet altijd te weten. Ik zoek mensen met wie ik qua taal kan samenkomen, individueel. Net als in het dagelijks leven zoek ik de taal die resoneert.

De discrepantie met de GGZ

Daar zit de spanning met de GGZ. In augustus heb ik er tegenover mijn man op gestaan dat ik niet opgenomen zou worden — om niet na zes weken vervreemd te raken van mijn basis, om het maar cryptisch te zeggen. Ik moet mijn eigen rommel opruimen: ordenen en wegwerken. Iets wat in een psychose niet lukt. Er zijn vast mooie woorden voor, maar die wens ik niet te gebruiken. Het is mijn taal. Ik gebruik die soms om mensen iets duidelijk te maken; verhalen en metaforen hebben die intentie. Dat is niet ‘fout’ of ‘goed’. Het is mijn werkelijkheid, in interactie. Soms lukt het, soms niet. Of het lukt later. Dat is het leven.

Herstel als integratie, niet als terugkeer

Ik heb mijn herstel altijd zelf gedaan, net als iedereen die psychoses meemaakt. Het is hard werken. Niet terugkeren naar de oude versie van jezelf — wat anderen graag zien — maar integreren. In augustus was de uitdaging emoties zo te verweven dat ik daar stabiel mee kan omgaan in willekeurige relaties. Dat was een echte uitdaging, die ik ieder mens eigenlijk toewens. Het is mooi om het zelf te kunnen aangaan.

Waar ik nu sta

Nu sta ik weer met beide benen op de grond. PMT — lichaamsgerichte therapie die al jaren op mijn verlanglijst stond — helpt me daarbij. Elke twee weken een vinger aan de pols is genoeg; zware ondersteuning of groepen zijn te belastend, die wijs ik af.

De eyeopener dat mijn ademhaling de crux is en het durven vertrouwen van mensen die ‘van jouw soort’ zijn, helpt me verder. De vraag is welke vaardigheden ik nodig heb en aan het ontwikkelen ben om beter met openheid en oppervlakkigheid om te gaan. Voorlopig nog anoniem. Op papier, in interactie met een lezer. In een taal die we allebei begrijpen — niet te hard, niet te vaag, maar precies genoeg om elkaar niet kwijt te raken.


Lees hier meer blogs van Louise ter Berg.

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *